Arbeidsovereenkomst: de bedoeling telt niet, de kenmerken wel

Een inwoonster van een gemeente ontving vanaf 1 december 2012 een bijstandsuitkering van deze gemeente. De gemeente maakte een afspraak met haar die inhield dat ze met behoud van haar uitkering ‘geplaatst’ kon worden bij een werkgever. De inwoonster kon daardoor proberen weer in het arbeidsproces terug te keren.

Vervolgens werd er een plaatsingsovereenkomst gesloten met een derde partij. De inwoonster ontving van deze derde partij geen loon, omdat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst (het was immers, met behoud van een uitkering, een plaatsingsovereenkomst). Daar was de inwoonster het niet mee eens. Zij vond na een tijdje dat er gewoon sprake was van een arbeidsovereenkomst en zij vorderde daarom € 30.000 loon.

Wat vond de rechter?
De lagere rechters waren het niet met de inwoonster eens. Vaste jurisprudentie was namelijk dat de bedoeling  belangrijk is voor het antwoord op de vraag of een overeenkomst ook een arbeidsovereenkomst is. Dit was door de Hoge Raad eerder bepaald in het Groen/ Schoevers arrest.

De Hoge Raad ging echter begin november om. Vanaf nu geldt de lijn dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst als de overeenkomst voldoet aan de wet. Namelijk dat er sprake is van arbeid, loon en gezag. Partijbedoelingen spelen geen rol. De Hoge Raad was het dus wél met de werknemer eens: zij had op grond van een arbeidsovereenkomst recht op € 30.000,-

Dus?
De vraag of er (onbedoeld) toch sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, komt regelmatig in de praktijk voor. De bedoeling van partijen speelt dus volgens de Hoge Raad bij de kwalificatie geen rol.

Deze website gebruikt cookies om ervoor te zorgen dat u de beste mogelijke ervaring krijgt op deze website.